Ik werk in een kledingwinkel. Ik vouw truien,
hang T-shirts op, zorg dat spijkerbroeken netjes terug op de plank komen te
liggen. Ik sluit paskamergordijnen (want inderdaad meneer, ze gaan een beetje
stroef, ik weet het) en wens mensen na het afrekenen veel plezier met hun
nieuwe outfit. Tot zover mijn functieomschrijving. De winkelvloer biedt me al
jaren een uniek kijkje op de samenleving. Ik heb zowel in Zeeland als in Noord
Brabant klanten mogen ontvangen, begroeten en helpen. Verschillende populaties,
en dus zeer veel onderlinge diversiteit.
Bijvoorbeeld; Tilburgers slapen veel langer
uit dan Zeeuwen, het komt hier in Brabant altijd maar laat op gang. Mijn
conservatieve mede-Zeeuwen hebben op zaterdag geen tijd te verliezen. Immers,
zondag is de dag des Heren. Dat betekent; zaterdag vroeg de markt op om
goedkope groenten en fruit te scoren voor het in sommige gevallen wel
tien-koppen-tellende gezin, en daarna de kledingzaak in voor nieuw ‘zondags
goed’. En dan liefst een maatje te ruim, zodat minstens drie broertjes het ook
nog zouden kunnen dragen. Natuurlijk, ik generaliseer dat het een naam mag
hebben, maar zo kom je ze hier niet tegen.
Een vraag die ik in gesprekken over werk met
vrienden wel eens voorbij hoor komen, is; help je ook wel eens vrouwen in de
winkel? Om het geromantiseerde beeld maar direct om zeep te helpen; ik werk op
de herenafdeling. Betekent dit gegeven dat ik nooit vrouwen help? Neen,
integendeel, ook dames betreden wel eens de herenafdeling met hun mannen,
vrienden of zonen. Soms tref je zelf wel eens een vrouw alleen. “Ik ben een
beetje aan het ‘voor-shoppen’. Zaterdag neem ik hem mee en ik wil alvast wat
ideeën hebben, want hij houdt er niet van, van shoppen.”
Verwacht ook hier weinig romantiek tussen
verkoper en klant. De meeste vrouwen benadrukken graag hoe breed hun man is, en
dat ze daarom toch echt wel een maatje XL nodig hebben. “Want hij is zo breed,
die vent van me. En vooral op zijn schouders ook. Echt heel breed”. Ik zie
mannen nog niet zo snel ‘voor-shoppen’. Dat ze dan in de Miss Etam tegen een
verkoopster staan op te scheppen. “Ze heeft echt schitterende benen, mijn
vrouw, alles staat haar goed. En mooie ogen ook. Hoewel dat natuurlijk niet
relevant is, voor de broek die ik voor haar op het oog heb. Maar ze heeft ze wel,
mooie ogen. Poeh.”
Maar dit volledig terzijde. Afgelopen zaterdag
was het, na bijna vijf jaar werken in een kledingzaak, dan toch eindelijk zo
ver. Ze verscheen opeens om de hoek bij de paskamer waar ik op dat moment
geposteerd stond. Hoogblonde, sluike haren, echt Scandinavisch blond,
sprankelende blauwe ogen, een gulle glimlach. Onze blikken vonden elkaar. De
roze kleuren in haar T-shirt kleurden naadloos bij het roze in haar schoenen.
Langzaam stapte ze me op me af.
Enkele momenten
later leerde ik haar naam kennen; haar ouders, voor de zoveelste keer die dag
op zoek, riepen haar naam door de winkel. Ze heette Robin, en de vrolijke
blondine was, ruw geschat, een jaar of zeven jong. Robin nam de tijd om me te
introduceren met alles wat haar bezig hield, haar hele hebben en houden. Uit
een al nèt-zo-roze rugtasje verscheen een C1000-geluksvogeltje dat ze met
gepaste trots liet zien. Ook haar kleine knuffelhondje werd fier de lucht in
gestoken, en na het tevoorschijn toveren van onder andere een pakje Spongebob-sap en een zakje Nibbits begon
ik me af te vragen hoeveel er in zo’n klein rugtasje past. Er kwam ook nog een
zonnebril uit tevoorschijn, waar ze al even trots op was. Ze zette
hem op, draaide dartelend drie rondjes voor de grote spiegel, en zei: “Mooi
hè”. Meer concluderend dan vragend, overigens. Nadat ik vaderlief aan wat
polo’s en een paar korte broeken had geholpen, kreeg ik nog een dikke high-five
van Robin. Na het afrekenen zwaaide ze nog een laatste keer.
Een welgestelde man op zoek naar een
zwemshort, een jongen met een paar gekleurde T-shirts en een Pool die zijn
zonnebril was vergeten later, ontdekte ik dat er iets lag te glinsteren op de
stoel bij de paskamer. Ik zag direct wat het was. Robins armband. Ook die had
ze me met veel schwung laten zien. Snel nam ik de roltrap naar beneden, naar de
damesafdeling. Mijn gok bleek juist te zijn; ook moederlief had nog wat ‘zomers
goed’ nodig. Robin was verheugd. Ik hurkte neer naast haar en zei: “Kijk eens
wat ik gevonden heb?”. Ik ben niet iemand die opschept over zijn uitwerking op
dames, maar lezers, geloof me als ik schrijf dat ze smolt. Oké, oké, veel te
vroeg in onze relatie had ik sieraden nodig om dat voor elkaar te krijgen, maar
toch. Na een opgelucht woord van dank voegde ze zich weer bij haar ouders. Om haar
onbezorgde pad te vervolgen en hopeloos verliefd te worden op de eerstvolgende
supermarktmedewerker die het koddige meisje een extra geluksvogeltje gunt.