Ik woon nu alweer vijf jaar in Tilburg, met veel plezier.
Voordat je denkt dat het de verkeerde kant op gaat met me; nee, dit wordt geen
stukje Tilburgpropaganda. Ik was niet van plan mijn Zeeuwse roots te
verloochenen. Hoewel je me nooit van de daken zult horen schreeuwen dat ik
trots ben op mijn afkomst, vind ik het altijd fijn om terug te zijn in het
Zeeuwse. Dat wil zeggen, als de zon schijnt. Op het moment dat ik dit schrijf,
ben ik een lang weekend terug ‘thuis’ geweest, en heb ik mijn grote gele vriend
geen minuut gezien. En dan is Zeeland deprimerend hoor. Gillend weer terug naar
Tilburg dus. Als je Tilburg binnen rijdt met de trein en je kijkt om je heen,
dan krijg je sterk de neiging om te blijven zitten in de trein, je ogen te
sluiten, en dan hopen dat de conducteur je wakker maakt in een aangenamer oord.
Want wat ben je toch lelijk, Tilburg. Je eerste aanblik voelt niet als een
warme welkomstknuffel. In het centrum zijn maar weinig plekken waar je je trots
kan voelen om een kersverse Kruikenzeiker te zijn. En toch is Tilburg mijn
thuis geworden. Tilburg, je bent er, zeg maar.
Kijk, en daar gaat het fout. Want dat is waar ik in deze
column eigenlijk wat over wil schrijven, over de slogans die je tegenkomt in
deze stad. Bij de gemeente, maar ook bij de Tilburgse middenstand. En dan
beginnen we inderdaad maar direct bij “Tilburg, je bent er”. Dit moet, ook
landelijk gezien, één van de meest belabberde stukjes city-marketing zijn. Ja,
ik noem het echt city-marketing. Want sinds zuslief is afgestudeerd op het NHTV
in Toerisme en Management, heb ik daar het een en ander over mee gekregen. Neem
nou bijvoorbeeld “Er gaat niets boven Groningen”. Daar is geen speld tussen te
krijgen. Noordelijker kun je in ons kikkerlandje bijna niet gaan, los van dat
je dat eigenlijk ook helemaal niet moet willen. Dus inderdaad, boven Groningen
vinden we niets meer wat ook maar enigszins het vermelden waard is.
Komen we terug op Tilburg. Wat nou, als je als niet-Brabo een
stukje “city-marketing” van Tilburg onder ogen krijgt, of dat nou een website
is, een folder, of een interactief digitaal pamflet, daar wil ik van af. Dan
spit je dat door, en nog voordat je bent begonnen met lezen, ben je er achter
dat Tilburg een grauwe industriestad is, en dat er daar verder vrij weinig
vermeldenswaardige dingen aan de hand zijn. Dan lees je het kopje terug, met de
slogan, en denk je waarschijnlijk bij jezelf: “Tilburg, godzijdank ben ik er
niet”. En ook in het geval dat je toch in Tilburg verzeild bent geraakt, dan
voelt het motto niet goed. Het laat je eigenlijk een beetje achter met een
beklemmend gevoel. “Tilburg, je bent er. Je bent er nou eenmaal. Je moet hier
blijkbaar zijn. Kijk maar wat je er mee doet, je bent er nu toch, en je komt
ook niet zomaar weg.”
Dan nu de slogans die je tegenkomt bij de middenstand van
Tilburg, de grauwe kiezelsteen van het Zuiden. En dan ga ik echt niet klagen
over het oer-Tilburgse broodje Jantje. Want dan word ik wellicht verbannen uit
de gemeente. Voor de niet-Brabo’s; een broodje Jantje is een prima broodje
hamburger, met liefde bereid in een sfeervol etablissement in het centrum van
Tilburg. En als ik zeg sfeervol, dan bedoel ik dat ze beschikken over drie
statafels. Want je hebt toch zeker niets meer dan dat nodig om een vette hap
naar binnen te werken, nondeju. Met de slogan “Broodje Jantje, in elk handje”
is dan ook niks mis. Prima.
Dan een ander Tilburgs fenomeen; IJssalon Intermezzo. Elke
zomer, weer of geen weer, één van de drukst bezochte plekken in het centrum van
Tilburg. Nu had IJssalon Intermezzo, alweer een tijdje terug, zadelhoesjes
gespannen over de in het centrum gestalde fietsen. Op deze hoesjes stond
natuurlijk de naam van de salon, vergezeld door een slogan, iets in de trant
van “Beter een ijsje in je hand, dan een lekke band”. Akkoord. Ik denk dat de
meeste mensen het daar mee eens zijn. Met al mijn praktische inzicht, hoewel
dat slechts in beperkte mate aanwezig is, dat geef ik grif toe, zie ik niet in
hoe dat zadelhoesje mij gaat weerhouden van een lekke band. Ga ik door de
slogan bewuster fietsen nu, en voorkom ik daarmee het lekrijden? Hadden ze
eigenlijk een stuk of twaalf zadelhoesjes moeten spannen, die ik vervolgens
over mijn banden had kunnen plakken, zodat er een soort bescherm-buitenband
ontstaat? Ik weet het, dit is flauw. Mijn punt is, dat als je een hebbedingetje
verspreid met een slogan, je als bedrijf beter kunt zorgen dat deze twee iets
met elkaar te maken hebben. Intermezzo, wat dacht je van: “Beter een ijsje in
je mond, dan een natte kont”?
Ik hoef niet eens naar het centrum te fietsen (met droog
derrière) om raadselachtige slogans tegen te komen. Ik woon boven een klein
pleintje bij een winkelcentrum in Tilburg West. Aldaar gevestigd, een
restaurant dat enkele jaren de overstap heeft gemaakt van een typisch
wijketablissement waar bejaarden ‘s middags koffie met korting drinken en waar
men ’s avonds kon aanschuiven voor een schnitzel, naar een restaurant dat
zichzelf serieus neemt. Resultaat; een restaurant in een identiteitscrisis.
Want reken maar dat die bejaarden blijven komen voor de koffie. En dan toch ’s
avonds een restaurant met een serieuze kaart zijn. Ik wil geen namen noemen en
het restaurant onrecht aandoen, maar met de nogal tegensprekende noemer
‘Tuinhuis Culinair’ is de zaak ook tot in de eeuwigheid verdoemd tot identiteitscrisis.
Schizofrenie zonder schnitzels, zeg maar.
Deze column ging toch over slogans, zegt u. Maak uw borst
maar nat. Bovengenoemde voert de ondertitel “één van de meest bijzondere
restaurants van Nederland”. Er kunnen hier verschillende dingen aan de hand
zijn. Het kan pure bluf zijn. Het kan ook zo zijn, dat de eigenaar er na enig
marketingonderzoek is achtergekomen dat de hierboven beschreven schizofrene
situatie uniek is voor de Nederlandse horeca. In dat geval mag de slogan
blijven. Een andere mogelijkheid is dat de eigenaar is vergeten te vermelden
wie het restaurant tot zodanig heeft gebombardeerd. Ik had het wel willen
weten. En ik denk de meeste restaurantbezoekers ook. Want deze vorm van opschepperij
zorgt bij ons Nederlanders toch altijd een beetje voor argwaan. Waarom is dit
restaurant zo bijzonder? Heeft de kok geen handen, en bereidt hij daarom al het
eten met zijn voeten? Is het dak van het restaurant, geïnspireerd door
Ethiopische leemhutten, vervaardigd uit Brabantse koeienmest en stro? Is het
restaurant bijzonder omdat er op de gemiddelde donderdagavond meer ratten dan
klanten over de vloer komen? Het begrip ‘bijzonder’ vraagt om enige afbakening.
Gewoon, voor de gemoedsrust.
Lezer, ik ben ontzettend aan het zeuren. Herinner me er maar
niet aan. Karma is een kreng. Na de vorige alinea, strandde mijn trein in
Breda. Aanrijding met een persoon, dan weet je het wel. De NS-balie wist te
melden dat ‘het nog maar net gebeurd is’ en dat er daarom geen informatie
vrijgegeven kan worden. Toen ik een half uur later weer aanklopte met de vraag
hoe ik alsnog in Tilburg zou belanden, werd er weer gescholen achter hetzelfde
antwoord. De vraag rijst hoe het in godsnaam bestaat dat we via nieuwswebsites
op de minuut dat het gebeurt meekrijgen hoe een Franse vrouw direct na het
geven van het jawoord een kind baart, maar dat de NS niet weet wat er op hun
eigen spoor aan de hand is. “Het spoor is niet van ons, maar van ProRail.” Same
difference, het klopt gewoon niet. Gelukkig is er dan nog de streekbus. Over
slogans gesproken, deze al gehoord? “De bus krijgt steeds meer fans!” Dat is
niet vreemd als door uitval van treinen een complete intercity zich in een
streekbus staat te wurmen. Inderdaad, een streekbus. Met andere woorden, de
toeristische route door de diepste krochten van midden Brabant. Hallo, Oosterhout
en Dongen. Na bijna een uur denderen we Tilburg binnen, en opeens snap ik de
slogan. Tilburg, je bent er. Eindelijk.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten