donderdag 12 juli 2012

Slogans


Ik woon nu alweer vijf jaar in Tilburg, met veel plezier. Voordat je denkt dat het de verkeerde kant op gaat met me; nee, dit wordt geen stukje Tilburgpropaganda. Ik was niet van plan mijn Zeeuwse roots te verloochenen. Hoewel je me nooit van de daken zult horen schreeuwen dat ik trots ben op mijn afkomst, vind ik het altijd fijn om terug te zijn in het Zeeuwse. Dat wil zeggen, als de zon schijnt. Op het moment dat ik dit schrijf, ben ik een lang weekend terug ‘thuis’ geweest, en heb ik mijn grote gele vriend geen minuut gezien. En dan is Zeeland deprimerend hoor. Gillend weer terug naar Tilburg dus. Als je Tilburg binnen rijdt met de trein en je kijkt om je heen, dan krijg je sterk de neiging om te blijven zitten in de trein, je ogen te sluiten, en dan hopen dat de conducteur je wakker maakt in een aangenamer oord. Want wat ben je toch lelijk, Tilburg. Je eerste aanblik voelt niet als een warme welkomstknuffel. In het centrum zijn maar weinig plekken waar je je trots kan voelen om een kersverse Kruikenzeiker te zijn. En toch is Tilburg mijn thuis geworden. Tilburg, je bent er, zeg maar.

Kijk, en daar gaat het fout. Want dat is waar ik in deze column eigenlijk wat over wil schrijven, over de slogans die je tegenkomt in deze stad. Bij de gemeente, maar ook bij de Tilburgse middenstand. En dan beginnen we inderdaad maar direct bij “Tilburg, je bent er”. Dit moet, ook landelijk gezien, één van de meest belabberde stukjes city-marketing zijn. Ja, ik noem het echt city-marketing. Want sinds zuslief is afgestudeerd op het NHTV in Toerisme en Management, heb ik daar het een en ander over mee gekregen. Neem nou bijvoorbeeld “Er gaat niets boven Groningen”. Daar is geen speld tussen te krijgen. Noordelijker kun je in ons kikkerlandje bijna niet gaan, los van dat je dat eigenlijk ook helemaal niet moet willen. Dus inderdaad, boven Groningen vinden we niets meer wat ook maar enigszins het vermelden waard is.

Komen we terug op Tilburg. Wat nou, als je als niet-Brabo een stukje “city-marketing” van Tilburg onder ogen krijgt, of dat nou een website is, een folder, of een interactief digitaal pamflet, daar wil ik van af. Dan spit je dat door, en nog voordat je bent begonnen met lezen, ben je er achter dat Tilburg een grauwe industriestad is, en dat er daar verder vrij weinig vermeldenswaardige dingen aan de hand zijn. Dan lees je het kopje terug, met de slogan, en denk je waarschijnlijk bij jezelf: “Tilburg, godzijdank ben ik er niet”. En ook in het geval dat je toch in Tilburg verzeild bent geraakt, dan voelt het motto niet goed. Het laat je eigenlijk een beetje achter met een beklemmend gevoel. “Tilburg, je bent er. Je bent er nou eenmaal. Je moet hier blijkbaar zijn. Kijk maar wat je er mee doet, je bent er nu toch, en je komt ook niet zomaar weg.”

Dan nu de slogans die je tegenkomt bij de middenstand van Tilburg, de grauwe kiezelsteen van het Zuiden. En dan ga ik echt niet klagen over het oer-Tilburgse broodje Jantje. Want dan word ik wellicht verbannen uit de gemeente. Voor de niet-Brabo’s; een broodje Jantje is een prima broodje hamburger, met liefde bereid in een sfeervol etablissement in het centrum van Tilburg. En als ik zeg sfeervol, dan bedoel ik dat ze beschikken over drie statafels. Want je hebt toch zeker niets meer dan dat nodig om een vette hap naar binnen te werken, nondeju. Met de slogan “Broodje Jantje, in elk handje” is dan ook niks mis. Prima.

Dan een ander Tilburgs fenomeen; IJssalon Intermezzo. Elke zomer, weer of geen weer, één van de drukst bezochte plekken in het centrum van Tilburg. Nu had IJssalon Intermezzo, alweer een tijdje terug, zadelhoesjes gespannen over de in het centrum gestalde fietsen. Op deze hoesjes stond natuurlijk de naam van de salon, vergezeld door een slogan, iets in de trant van “Beter een ijsje in je hand, dan een lekke band”. Akkoord. Ik denk dat de meeste mensen het daar mee eens zijn. Met al mijn praktische inzicht, hoewel dat slechts in beperkte mate aanwezig is, dat geef ik grif toe, zie ik niet in hoe dat zadelhoesje mij gaat weerhouden van een lekke band. Ga ik door de slogan bewuster fietsen nu, en voorkom ik daarmee het lekrijden? Hadden ze eigenlijk een stuk of twaalf zadelhoesjes moeten spannen, die ik vervolgens over mijn banden had kunnen plakken, zodat er een soort bescherm-buitenband ontstaat? Ik weet het, dit is flauw. Mijn punt is, dat als je een hebbedingetje verspreid met een slogan, je als bedrijf beter kunt zorgen dat deze twee iets met elkaar te maken hebben. Intermezzo, wat dacht je van: “Beter een ijsje in je mond, dan een natte kont”?

Ik hoef niet eens naar het centrum te fietsen (met droog derrière) om raadselachtige slogans tegen te komen. Ik woon boven een klein pleintje bij een winkelcentrum in Tilburg West. Aldaar gevestigd, een restaurant dat enkele jaren de overstap heeft gemaakt van een typisch wijketablissement waar bejaarden ‘s middags koffie met korting drinken en waar men ’s avonds kon aanschuiven voor een schnitzel, naar een restaurant dat zichzelf serieus neemt. Resultaat; een restaurant in een identiteitscrisis. Want reken maar dat die bejaarden blijven komen voor de koffie. En dan toch ’s avonds een restaurant met een serieuze kaart zijn. Ik wil geen namen noemen en het restaurant onrecht aandoen, maar met de nogal tegensprekende noemer ‘Tuinhuis Culinair’ is de zaak ook tot in de eeuwigheid verdoemd tot identiteitscrisis. Schizofrenie zonder schnitzels, zeg maar.

Deze column ging toch over slogans, zegt u. Maak uw borst maar nat. Bovengenoemde voert de ondertitel “één van de meest bijzondere restaurants van Nederland”. Er kunnen hier verschillende dingen aan de hand zijn. Het kan pure bluf zijn. Het kan ook zo zijn, dat de eigenaar er na enig marketingonderzoek is achtergekomen dat de hierboven beschreven schizofrene situatie uniek is voor de Nederlandse horeca. In dat geval mag de slogan blijven. Een andere mogelijkheid is dat de eigenaar is vergeten te vermelden wie het restaurant tot zodanig heeft gebombardeerd. Ik had het wel willen weten. En ik denk de meeste restaurantbezoekers ook. Want deze vorm van opschepperij zorgt bij ons Nederlanders toch altijd een beetje voor argwaan. Waarom is dit restaurant zo bijzonder? Heeft de kok geen handen, en bereidt hij daarom al het eten met zijn voeten? Is het dak van het restaurant, geïnspireerd door Ethiopische leemhutten, vervaardigd uit Brabantse koeienmest en stro? Is het restaurant bijzonder omdat er op de gemiddelde donderdagavond meer ratten dan klanten over de vloer komen? Het begrip ‘bijzonder’ vraagt om enige afbakening. Gewoon, voor de gemoedsrust.
   
Lezer, ik ben ontzettend aan het zeuren. Herinner me er maar niet aan. Karma is een kreng. Na de vorige alinea, strandde mijn trein in Breda. Aanrijding met een persoon, dan weet je het wel. De NS-balie wist te melden dat ‘het nog maar net gebeurd is’ en dat er daarom geen informatie vrijgegeven kan worden. Toen ik een half uur later weer aanklopte met de vraag hoe ik alsnog in Tilburg zou belanden, werd er weer gescholen achter hetzelfde antwoord. De vraag rijst hoe het in godsnaam bestaat dat we via nieuwswebsites op de minuut dat het gebeurt meekrijgen hoe een Franse vrouw direct na het geven van het jawoord een kind baart, maar dat de NS niet weet wat er op hun eigen spoor aan de hand is. “Het spoor is niet van ons, maar van ProRail.” Same difference, het klopt gewoon niet. Gelukkig is er dan nog de streekbus. Over slogans gesproken, deze al gehoord? “De bus krijgt steeds meer fans!” Dat is niet vreemd als door uitval van treinen een complete intercity zich in een streekbus staat te wurmen. Inderdaad, een streekbus. Met andere woorden, de toeristische route door de diepste krochten van midden Brabant. Hallo, Oosterhout en Dongen. Na bijna een uur denderen we Tilburg binnen, en opeens snap ik de slogan. Tilburg, je bent er. Eindelijk.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten