zondag 2 december 2012

Decembernacht



Gehaast lopen we door de vederlicht neerdartelende sneeuw. Zelfs deze weersomstandigheden maken onze situatie niet ijziger. Na een ijskoude woordenwisseling, werden we ons plotseling bewust van de onverbiddelijke treintijden, en nu lopen we hier, in de kou. De frisse nachtwandeling naar het treinstation voelt bijna als een verademing.

Woorden blijven achterwege. We lopen beiden met onze hoofden neerwaarts, terwijl we onze voeten en de gladde straat intensief bestuderen, opdat we niet uitglijden. Het bewijs dat we leven en ademen zijn onze ademwolkjes, die zich vormen in de ijle lucht, geleidelijk met elkaar versmelten, en langzaam vervliegen, in het donker van de nacht.

Aangekomen op het station neem ik onbewust het omroepbericht in mijn hoofd op, waar het onderheven aan vele gedachten, hele andere vormen aanneemt.

“Geachte reizigers, let u op; de stoptrein van tweeëntwintig uur drieëntwintig vertrekt zo direct, en zal uw geliefde ondanks een onuitgesproken conflict, gewoon meenemen. Een volgende mogelijkheid voor een goed gesprek zal zich pas voordoen over twee dagen. Excuses voor het ongemak.”

Je kijkt me vanuit de treindeur aan, met je betraande ogen. Mijn gedachten dwalen af. Ik vraag me af hoe lang je hier kunt staan in de kou totdat je tranen bevriezen, en wat je vervolgens het beste kan doen om ze te ontdooien. Ik denk aan hoe ik tien jaar terug in Disneyland Parijs mijn lippen openscheurde nadat ze waren vastgevrorenaan een wel erg diep bevroren waterijsje. Het is bewonderenswaardig naar wat voor gedachten je kan afglijden, in de ernst van een moment.

Een deur van het treinstel verder staat een ander jong stel. Hij tilt haar liefkozend nog een laatste keer op voordat hij haar toevertrouwt aan de grote gele rups, die haar door de donkere nacht veilig thuis zal brengen. Zij beantwoordt hem, door hem een laatste keer om de nek te vliegen. Ik kan deze misplaatste vrolijkheid missen als kiespijn. Ik benijd ze, maar ik kan ze wel schieten. Ik veracht ze, maar ik vergeef ze de liefde. Dan zie ik dat je ook kijkt, en dat je hetzelfde denkt wat ik denk: waar is de dag gebleven dat wij daar zo stonden? Snel denk ik terug aan Disneyland en houd ik mijn tranen in.

Op de terugweg van het station merk ik in de sneeuw de voetsporen van het andere stel op. Haar stappen, breed en plomp, want zo drukken Uggs zich nou eenmaal af in de sneeuw, en zijn stappen, de zool van een bekend gymschoenenmerk. De sporen zijn door elkaar verweven, de verschillende voetstappen dartelen door elkaar. Het is bijna alsof het hier een enkel spoor betreft, een spoor van een viervoetig wezen dat uit haast voor het halen van de trein, per ongeluk twee verschillende soorten schoenen uit de kast heeft getrokken. Wat verderop zie ik onze sporen. Met een pijnlijke steek van jaloezie constateer ik dat de afstand tussen onze sporen te groot is. Althans, te groot voor de geliefden die we horen te zijn. Na een snik in de stille nacht, hoop ik dat ik thuis ben voor mijn tranen bevriezen.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten