donderdag 13 juni 2013

FHM's Buurmeisje van 2013



Samen met M. loop ik van de veel te dure parkeergarage naar het ietwat pretentieuze etablissement Little Buddha. Twee Zeeuwen in de Big City. En hoewel we allebei al lang in Tilburg wonen, en dus geen Zeeuwen meer zijn maar import-Brabo’s, is Amsterdam toch wel andere koek. M. zegt: ‘Ik wil later ook in een stad met trams wonen. Desnoods nog Delft, ofzo. Man, wat zou ik hele dagen in de tram zitten’. Ik vind het altijd leuk om Amsterdam te bezoeken, maar ik ben er nog niet over uit of ik er zou kunnen of willen wonen. Maar ik ken natuurlijk wel toe dat zo’n tram meer charme heeft dan de Tilburgse Arriva-stadsbussen. Wanneer je in Amsterdam de bel van een tram vrolijk hoort rinkelen, dan wijk je eens rustig uit, terwijl het belletje de herinnering aan het ik-ben-in-Amsterdam-gevoel triggert. Als je in Tilburg een Arriva-claxon hoort, weet je dat je moet fietsen voor je leven, want de Brabantse busberijders hebben een teringhekel aan tweewielers.

Bij de deur van Little Buddha doet het dienstdoende deurmeisje er erg lang over om te ontdekken of twee gasten, ondanks dat er iets te doen is in de toko, nog een hapje kunnen eten binnen. Want ja, er is iets te doen. Wij zijn daar op uitnodiging van M’s vriendin V. Zij werkt voor For Him Magazine, en op deze doordeweekse avond wordt de befaamde Buurmeisjes Award uitgereikt. Wij staan zodoende op de gastenlijst en kunnen zo doorlopen. Daar kan ik wel aan wennen.

Bij binnenkomst worden we direct geconfronteerd met de hoofdsponsors voor deze avond; Muchachomalo (Spaans voor foute/stoute jongen) kleedt de buurmeisjes in de bikinironde. Verwachting: akelig kleine setjes badkleding. Van de andere sponsor krijgen de gasten direct een hip drankje in de handen gedrukt. Malibu tequila 7-up met limoen. Schrijven we mee? Ik verzin het niet eens. Allicht niet nodig om te vermelden, maar daar heb ik er geen tweede van besteld.

Binnen is het uiteraard zien en gezien worden. M. en ik zijn al snel blij dat we niet zijn gegaan voor een combi zwart jasje, wit bloesje, want die waren reeds oververtegenwoordigd. Uiteraard nonchalant afgemaakt met een jeans en gympen. En ik zeg nonchalant, maar wie zijn witte All-Stars zo wit weet te houden, die heeft van dat woord nog nooit gehoord. De penetrante A&F Fierce lucht is eveneens oververtegenwoordigd en zorgt er meerdere malen voor dat ik bijna heel hard moet niesen.

De show begint, en de avond wordt aan elkaar geluld door Sol Wortelboer, mij voornamelijk bekend van het opblazen van dingen, elke zondagavond op Comedy Central, samen met Horace Cohen. Dat vindt elke man toch tof, een beetje fik stoken en dingen slopen? En een Buurmeisjes-avond aan elkaar lullen, dat vindt toch ook elke man tof? Blijkbaar kan Sol dus leven van dingen die mannen tof vinden om te doen, waarvoor respect. Sol blijkt in het echt nog kleiner dan op tv, en de buurmeisjes hebben daar natuurlijk weinig rekening mee gehouden in de keuze van pumps. De avond wordt zodoende een beetje ‘De dwerg en de vele Sneeuwwitjes’, maar Sols pretoogjes zijn er niet minder om. In de jury zitten onder andere de bepaald niet onappetijtelijke Miss Universe, en Jan Roos, voornamelijk bekend als de ietwat banale, perverse verslaggever van PowNews, kenmerken waarmee je je blijkbaar prima kwalificeert om een avondje naar vrouwelijk schoon te mogen loeren.

De avond begint met een voorstelronde van de Buurmeisjes. Natuurlijk zijn het allemaal dotjes om te zien. Ordinaire dotjes, dat wel, zo blijkt al snel. In de introductiefilmpjes blijkt hoever de dotjes willen gaan om FHM’s Buurmeisje van 2013 te worden. Tot brakens toe shotjes zuipen, in een kruiwagen met slangen liggen, in de koeienstront springen, moonen op een voetbalveld. Echt classy dus. Eén van de dotjes is schipper (schipster?) op de binnenvaart. Hoe kun je dan iemands buurmeisje worden? Ik applaudisseer beleefd voor het vrouwelijk schoon dat het podium betreedt, totdat Sol een meisje introduceert met de woorden: ‘Ze is 19 en heeft net haar HAVO examen gehad!’ Gezien ik een lerarenopleiding doe, zou ik zoiets dus gerust in mijn klas kunnen hebben volgend jaar. Een paar rijen verderop fluit een man die mijn vader had kunnen zijn hard op zijn vingers, terwijl ik mijn handen enigszins beschaamd in de broekzakken laat zakken.

Daarna begint de bikinironde. Verwachting ingelost. Dus: veel foto’s schieten met mijn telefoon en ze doorsturen naar vriend G., die helaas verhinderd was en daarom niet mee kon komen loeren. Ik ben de beroerdste niet. Ook de talentenronde is een groot succes. Dotje 1 blijkt goed met dieren en komt daarom het podium opzetten met haar kaketoe Shakira op haar arm. Daarna laat ze nog een niet nader gespecificeerd reptiel (een mini-dinosaurus?) over zich heen kruipen. De talenten blijken nogal uiteen te lopen. Waar het ene dotje nog moedig een liedje zingt, komt het andere dotje niet verder dan het nadoen van een kip. Het zoveelste dotje heeft blijkbaar voor zichzelf al lang toegekend geen talenten te hebben, en trakteert Jan Roos op een lapdance.

Uiteraard wint ze hiermee de titel Buurmeisje van het jaar 2013. Ze is door het dolle heen. In de groep overgebleven Buurmeisjes die achter haar op het podium staan toe te kijken hoe de kleine lapdancer er met de prijs van doorgaat, blijkt al snel wie de toffe dames zijn. Een deel staat zichtbaar hun wrok te verbijten, terwijl bijvoorbeeld het minidinomeisje alweer lekker staat te dansen met een air van deze-avond-nemen-ze-me-niet-meer-af. De winnares vliegt haar moeder in de armen, een vrouw van om en nabij de vijftig met een vieze vuile gebronsde borstpartij die uit haar te kleine jurkje puilt. Trots duikt ze naast haar dochter op elke foto die van de winnares gemaakt wordt, om het kiekje definitief ongeschikt voor minderjarigen te maken. De zaal loopt langzaam leeg, en ik ga naar het toilet om te pissen. Bij het aangrenzende urinoir staat Jan Roos uit zijn lul te brullen. Hij legt me uit dat de emancipatie dit soort avonden kapot heeft gemaakt: geen van de deelneemsters was bereid hem te pijpen voor de winst.

Het pretentieuze Little Buddha loopt leeg op een best wel christelijke tijd en de FHM-crew praat nog wat na. V. stelt haar vent M. trots voor aan al haar collega’s. Wie ik dan ben? Ik leg uit dat ik goed bevriend ben met het stel, M. al ken sinds de middelbare school, en tevens in hetzelfde appartementencomplex woon. ‘Oh, dus jij bent eigenlijk de Buurjongen van 2013?’ En zo is het maar net.

maandag 3 juni 2013

Stof tot nadenken



Met een snerpende piep opent mijn hok zich. Tergend traag gaat de deur open. Langzaam glijdt het weinige daglicht uit jouw hok het mijne tegemoet. Jij hebt tenminste ramen. Ik snap niet waarom je jouw ramen altijd half toedekt met stoffen lappen. Ik ben niet erg dol op stof. Stof moet weg. Misschien houd je ook niet van stof, en houd je daarom je ramen gesloten. Immers, in de zonnestralen zie je stof rond dwarrelen. Soms blaas je wel eens, heel hard, tegen een lampenkap, of over de bovenkant van je boekenplank. Dan is het net alsof het sneeuwt, maar dan binnen. Toen je me een keer in de winter uit mijn hok nam, kon ik door de half geopende ramen zien hoe in het park, ver onder jouw hok, een hond door de sneeuw aan het rollen was. Het beestje was door het dolle heen. Zijn bruine vacht niet langer bruin, maar wit. Wit, als de plas melk waar je ooit mijn muil in duwde. Die kreeg ik niet weg. Nee, dat ging niet goed. Ik deed mijn best hoor, maar ik viel al snel uit. Mocht ik een weekje naar een ander hok, waar een man me kietelde met schroevendraaiers. Toen je me weer op had gehaald, heb je me daarna nooit meer met mijn zuiger door de zuivel gehaald. Jammer. Want jij krabt mijn rug nooit met schroevendraaiers. En ik vond het wel leuk, om eens een ander hok te zien dan het jouwe en het mijne. Daarom snap ik ook niet waarom je je ramen afsluit. Wanneer je ramen open zijn, is jouw hok oneindig, en is er altijd iets anders te zien. Maar ach, hoewel ik ben gemaakt om veel tot me te kunnen nemen, ben ik niet gemaakt om alles te begrijpen.

Mijn hok is muf. Veel muffer dan het jouwe. Hoewel, als we elkaar lang niet zien, is jouw hok soms ook muf. Maar je hoort mij niet klagen, hoor. Ik pas prima in mijn hok. Je hebt zelfs een haak in de muur gemonteerd, waar ik met mijn nek in kan rusten. Hang ik met mijn muil vlak naast dat blok. Dat zacht tikkende blok. Ik weet niet precies wat het blok doet. Vale lampjes zorgen voor een flets licht in mijn hok, maar ze haperen, en verspringen soms. Cijfers dansen een slome wals, wisselen elkaar af op de zwak verlichte dansvloer. En hoewel het getal langzaam oploopt, komt het blok nooit tot een apotheose. Er gebeurt niks, er ontploft niks. Er komt zelfs geen vogeltje uit, zoals bij het kastje dat de oude vrouw die ooit op jouw hok kwam passen mee had genomen. Die vrouw was overigens net een grijzere, gesmolten versie van jou. Zonder het kastje met het vogeltje voelde ze zich niet thuis, hoorde ik haar uitleggen aan jou. Het was wel een lieve vrouw, hoor. Ze nam me elke dag uit mijn hok, ging met mij aan de slag totdat het vogeltje haar zeven keer riep, en dan keek ze Lingo op jouw beeldkast. Na Lingo bracht ze me weer terug naar mijn hok, terug naar mijn rustplek, en het zacht tikkende blok naast me. Ik geloof dat je het ooit een meterkast noemde, of zo iets dergelijks. Eens in de zoveel tijd komt er een man met een notitieblok naar kijken. De eerste keer dacht ik dat het de schroevendraaier-kietel-man was, maar die hoop heb ik ondertussen opgegeven. Hij gunt me geen blik waardig, heeft enkel aandacht voor mijn buurman, die zogenaamde meterkast. Hij tekent zelfs zijn flakkerende lampjes na in zijn notitieblok. Wat is het toch, dat jullie mensen alles willen meten?

Het enige wat aan mij ooit gemeten is, is mijn staart. Om te controleren, of hij wel de beloofde vijftien meter lang is. Voor je mij ontmoette, heeft een man met een rood overhemd een tijdje op mij en nog wat van mijn soortgenoten gepast. Aardige man. Toen je naar me kwam kijken, vond hij het nodig om meerdere keren op te scheppen over mijn staart. ‘Ja mevrouwtje’, zei hij dan, ‘deze jongen heeft een staart van vijftien meter’. Je leek daarvan onder de indruk. Ik snap niet helemaal waarom. In jouw hok is er geen staart van vijftien meter nodig, om mij alle hoeken van de kamer te laten zien. Ik weet niet of andere mensen grotere hokken hebben, maar mijn staart is in jouw hok volkomen overbodig. Ach, mijn soortgenoten bleken niet zo’n lange staart te hebben, en degene met de langste, die wint natuurlijk altijd. Toen de man die op mij paste iets over mij uitgelegd kreeg van een jonge, gladde kerel in een mooi pak, werd mijn lange staart zelfs een unique selling point genoemd. Wat dat dan ook moge zijn. Ik vond het altijd wel vleiend als gladde-pakken-jongen mij bij mijn naam noemde, en dan zei dat er ‘geen betere is’. Hoewel ik genoeg relativeringsvermogen heb om met alle wielen op de grond te blijven staan, hoor. Want waar ik gemaakt werd, waren vele broers. En die broers deden volgens mij niet onder voor mij. Tenzij mijn broers wel melk lusten, misschien.

We zien elkaar de laatste tijd minder. Volgens mij gaat het minder goed met je. Ook deze keer merk ik weer dat je grip rondom mijn nek verstevigd is. Met vieze, volvette, mollige handen trek je me nu de kamer door. Je hok is ook echt vuil aan het worden. Vroeger ontdeed ik je hok hier en daar van wat crackerkruimels, maar nu liggen er overal chips, vooral wanneer je me met mijn muil tussen de kussens op je bank duwt. En het worden ook steeds meer verschillende soorten chips, eerst waren het rijstcrackers, maar nu smaken ze naar vette kaas, en de laatste keer kreeg ik zelfs drie borrelnoten te verwerken. De lege chocoladewikkels zijn al helemaal lastig te verteren, ik krijg ze nauwelijks meer weg. Als ik er nog één of twee moet slikken, moet je me denk ik weer naar de schroevendraaier-kietel-man brengen. De vochtvlekken in je tapijt zijn reeds ingedroogd wanneer je ze aan mij laat zien, en ze ruiken ook niet meer naar zuivel. Ze ruiken steeds sterker naar gistende druiven, anders dan dat kan ik het niet omschrijven. Je gaat ook anders met me om. Waar we vroeger een nauwkeurig uitgevoerde tango dansten door jouw hok, is het nu meer een nonchalante, bezopen carnavalspolonaise. En ik weet dat je meubels slechts van de Ikea komen, en dat een buts meer of minder daarom niet zo’n ramp is.. Maar hee, ik heb ook gevoelens, hoor.

Het is duidelijk. Ik maak me, volgens mij terecht, zorgen om je. Ik snap niet waarom je doet wat je doet, en waarom je nu bent wie je bent, of wie je bent geworden. Wanneer je me terugzet in mijn hok, en ik afkoel van het rommelige rondje, denk ik na, maar ik kom er niet uit. Of, ja, één ding is me opgevallen, de laatste tijd. Vroeger zoog ik, behalve jouw haren, enkel zachte, walnootbruine, halflange haren op. Ze waren weliswaar ietsje dikker dan de jouwe, maar ik kreeg ze makkelijk weg. Sinds een tijdje kom ik die haren niet meer tegen. Aanvankelijk was ik er blij mee; minder werk voor mij. Maar de laatste tijd is het raak, het begon met lange, stugge, blonde haren, die daarna werden afgewisseld met zwarte, gortdroge, stoppelige korte haren, dikker dan de flosdraad die je soms in de badkamer laat slingeren. En laatst verslikte ik me zelfs bijna in een klosje rossige haren, het moet niet gekker worden. Maar goed, zoals ik al zei, ik kom er niet uit. Meer haren maken blijkbaar niet gelukkig, maar hoe de vork precies in de steel steekt, dat begrijp ik niet. Maar ik zei het al eerder, hoewel ik gemaakt ben om veel tot me te kunnen nemen, ben ik niet gemaakt om alles te begrijpen.