Met een snerpende piep opent mijn hok zich. Tergend traag
gaat de deur open. Langzaam glijdt het weinige daglicht uit jouw hok het mijne
tegemoet. Jij hebt tenminste ramen. Ik snap niet waarom je jouw ramen altijd
half toedekt met stoffen lappen. Ik ben niet erg dol op stof. Stof moet weg.
Misschien houd je ook niet van stof, en houd je daarom je ramen gesloten.
Immers, in de zonnestralen zie je stof rond dwarrelen. Soms blaas je wel eens,
heel hard, tegen een lampenkap, of over de bovenkant van je boekenplank. Dan is
het net alsof het sneeuwt, maar dan binnen. Toen je me een keer in de winter
uit mijn hok nam, kon ik door de half geopende ramen zien hoe in het park, ver
onder jouw hok, een hond door de sneeuw aan het rollen was. Het beestje was
door het dolle heen. Zijn bruine vacht niet langer bruin, maar wit. Wit, als de
plas melk waar je ooit mijn muil in duwde. Die kreeg ik niet weg. Nee, dat ging
niet goed. Ik deed mijn best hoor, maar ik viel al snel uit. Mocht ik een
weekje naar een ander hok, waar een man me kietelde met schroevendraaiers. Toen
je me weer op had gehaald, heb je me daarna nooit meer met mijn zuiger door de
zuivel gehaald. Jammer. Want jij krabt mijn rug nooit met schroevendraaiers. En
ik vond het wel leuk, om eens een ander hok te zien dan het jouwe en het mijne.
Daarom snap ik ook niet waarom je je ramen afsluit. Wanneer je ramen open zijn,
is jouw hok oneindig, en is er altijd iets anders te zien. Maar ach, hoewel ik
ben gemaakt om veel tot me te kunnen nemen, ben ik niet gemaakt om alles te
begrijpen.
Mijn hok is muf. Veel muffer dan het jouwe. Hoewel, als we
elkaar lang niet zien, is jouw hok soms ook muf. Maar je hoort mij niet klagen,
hoor. Ik pas prima in mijn hok. Je hebt zelfs een haak in de muur gemonteerd,
waar ik met mijn nek in kan rusten. Hang ik met mijn muil vlak naast dat blok.
Dat zacht tikkende blok. Ik weet niet precies wat het blok doet. Vale lampjes
zorgen voor een flets licht in mijn hok, maar ze haperen, en verspringen soms.
Cijfers dansen een slome wals, wisselen elkaar af op de zwak verlichte
dansvloer. En hoewel het getal langzaam oploopt, komt het blok nooit tot een
apotheose. Er gebeurt niks, er ontploft niks. Er komt zelfs geen vogeltje uit,
zoals bij het kastje dat de oude vrouw die ooit op jouw hok kwam passen mee had
genomen. Die vrouw was overigens net een grijzere, gesmolten versie van jou.
Zonder het kastje met het vogeltje voelde ze zich niet thuis, hoorde ik haar
uitleggen aan jou. Het was wel een lieve vrouw, hoor. Ze nam me elke dag uit
mijn hok, ging met mij aan de slag totdat het vogeltje haar zeven keer riep, en
dan keek ze Lingo op jouw beeldkast.
Na Lingo bracht ze me weer terug naar
mijn hok, terug naar mijn rustplek, en het zacht tikkende blok naast me. Ik
geloof dat je het ooit een meterkast noemde,
of zo iets dergelijks. Eens in de zoveel tijd komt er een man met een
notitieblok naar kijken. De eerste keer dacht ik dat het de
schroevendraaier-kietel-man was, maar die hoop heb ik ondertussen opgegeven.
Hij gunt me geen blik waardig, heeft enkel aandacht voor mijn buurman, die
zogenaamde meterkast. Hij tekent
zelfs zijn flakkerende lampjes na in zijn notitieblok. Wat is het toch, dat
jullie mensen alles willen meten?
Het enige wat aan mij ooit gemeten is, is mijn staart. Om te
controleren, of hij wel de beloofde vijftien meter lang is. Voor je mij
ontmoette, heeft een man met een rood overhemd een tijdje op mij en nog wat van
mijn soortgenoten gepast. Aardige man. Toen je naar me kwam kijken, vond hij
het nodig om meerdere keren op te scheppen over mijn staart. ‘Ja mevrouwtje’,
zei hij dan, ‘deze jongen heeft een staart van vijftien meter’. Je leek daarvan
onder de indruk. Ik snap niet helemaal waarom. In jouw hok is er geen staart
van vijftien meter nodig, om mij alle hoeken van de kamer te laten zien. Ik
weet niet of andere mensen grotere hokken hebben, maar mijn staart is in jouw
hok volkomen overbodig. Ach, mijn soortgenoten bleken niet zo’n lange staart te
hebben, en degene met de langste, die wint natuurlijk altijd. Toen de man die
op mij paste iets over mij uitgelegd kreeg van een jonge, gladde kerel in een
mooi pak, werd mijn lange staart zelfs een unique
selling point genoemd. Wat dat dan ook moge zijn. Ik vond het altijd wel
vleiend als gladde-pakken-jongen mij bij mijn naam noemde, en dan zei dat er ‘geen
betere is’. Hoewel ik genoeg relativeringsvermogen heb om met alle wielen op de
grond te blijven staan, hoor. Want waar ik gemaakt werd, waren vele broers. En
die broers deden volgens mij niet onder voor mij. Tenzij mijn broers wel melk
lusten, misschien.
We zien elkaar de laatste tijd minder. Volgens mij gaat het
minder goed met je. Ook deze keer merk ik weer dat je grip rondom mijn nek
verstevigd is. Met vieze, volvette, mollige handen trek je me nu de kamer door.
Je hok is ook echt vuil aan het worden. Vroeger ontdeed ik je hok hier en daar
van wat crackerkruimels, maar nu liggen er overal chips, vooral wanneer je me
met mijn muil tussen de kussens op je bank duwt. En het worden ook steeds meer
verschillende soorten chips, eerst waren het rijstcrackers, maar nu smaken ze
naar vette kaas, en de laatste keer kreeg ik zelfs drie borrelnoten te
verwerken. De lege chocoladewikkels zijn al helemaal lastig te verteren, ik
krijg ze nauwelijks meer weg. Als ik er nog één of twee moet slikken, moet je
me denk ik weer naar de schroevendraaier-kietel-man brengen. De vochtvlekken in
je tapijt zijn reeds ingedroogd wanneer je ze aan mij laat zien, en ze ruiken
ook niet meer naar zuivel. Ze ruiken steeds sterker naar gistende druiven,
anders dan dat kan ik het niet omschrijven. Je gaat ook anders met me om. Waar
we vroeger een nauwkeurig uitgevoerde tango dansten door jouw hok, is het nu
meer een nonchalante, bezopen carnavalspolonaise. En ik weet dat je meubels
slechts van de Ikea komen, en dat een buts meer of minder daarom niet zo’n ramp
is.. Maar hee, ik heb ook gevoelens, hoor.
Het is duidelijk. Ik maak me, volgens mij terecht, zorgen om
je. Ik snap niet waarom je doet wat je doet, en waarom je nu bent wie je bent,
of wie je bent geworden. Wanneer je me terugzet in mijn hok, en ik afkoel van
het rommelige rondje, denk ik na, maar ik kom er niet uit. Of, ja, één ding is
me opgevallen, de laatste tijd. Vroeger zoog ik, behalve jouw haren, enkel
zachte, walnootbruine, halflange haren op. Ze waren weliswaar ietsje dikker dan
de jouwe, maar ik kreeg ze makkelijk weg. Sinds een tijdje kom ik die haren
niet meer tegen. Aanvankelijk was ik er blij mee; minder werk voor mij. Maar de
laatste tijd is het raak, het begon met lange, stugge, blonde haren, die daarna
werden afgewisseld met zwarte, gortdroge, stoppelige korte haren, dikker dan de
flosdraad die je soms in de badkamer laat slingeren. En laatst verslikte ik me
zelfs bijna in een klosje rossige haren, het moet niet gekker worden. Maar
goed, zoals ik al zei, ik kom er niet uit. Meer haren maken blijkbaar niet
gelukkig, maar hoe de vork precies in de steel steekt, dat begrijp ik niet.
Maar ik zei het al eerder, hoewel ik gemaakt ben om veel tot me te kunnen
nemen, ben ik niet gemaakt om alles te begrijpen.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten